Wat is een goede omrekenfactor?Voor uitzenders, detacheerders en payrollbedrijven in 2026.

Iedereen in de flex kent zijn factor. Maar een factor van 2,1 kan minder opleveren dan een factor van 2,0, en een contract in fase C rekent anders dan een uitzendbeding. Hier lees je wat een goede factor is, waarom hij per fase en per vorm verschilt, wat de uitzend-cao van 2026 ermee deed en hoe je hem beschermt. En wat een koper er later in ziet.

Robbert Jan de Rooij

Denkt mee over je tarieven
Robbert Jan de Rooij. Was vennoot in een uitzendbureau en verkocht zelf zzp-platform ZZP365. Bel direct: 040 798 8781 of volg op LinkedIn

Het korte antwoord.

Er bestaat geen officieel getal. In openbare rekenvoorbeelden van uitzenders zie je voor 2026 vaak een factor rond de 2. Grote volumes zitten er meestal onder, schaarse vakmensen erboven.

Een goede factor is een factor die genoeg euro's per uur overlaat boven wat dat uur je kost. Die kostprijs ligt in 2026 hoger dan veel ondernemers denken. Bij een uurloon van 16 euro in fase A kost een gewerkt uur je ongeveer 26,95 euro. Dat is een kostprijsfactor van zo'n 1,7, nog voordat je één euro aan je kantoor of je winst hebt verdiend.

Bij een uurloon van 16 euro, fase A

Je wilt overhoudenTariefFactor
15 procent van je tarief€ 31,711,98
20 procent van je tarief€ 33,692,11
25 procent van je tarief€ 35,932,25

Gerekend met de premies en de StiPP-regeling van 2026, 25 vakantiedagen, 7 feestdagen en 8 procent vakantiegeld. Met jouw eigen cijfers ziet het er anders uit.

Een factor van 2,0 laat bij dit loon zo'n 5 euro per uur over. Of dat goed is, hangt af van wat je kantoor per uur kost. Een bureau met twee intercedenten op honderd uitzendkrachten kan met minder toe dan een bureau dat voor elke plaatsing drie weken werft. Reken het uit met je eigen loon en tarief.

Wat de factor wel en niet zegt.

De factor is een verhouding. Je betaalt je rekeningen met euro's. Dat verschil ziet er op papier klein uit, maar het stuurt je hele bureau.

Twee klanten naast elkaar

Klant AKlant B
Bruto uurloon€ 15,00€ 25,00
Factor2,102,00
Tarief€ 31,50€ 50,00
Kostprijs per uur€ 25,16€ 43,05
Marge per uur€ 6,34€ 6,95
Marge als deel van het tarief20 procent14 procent

Fase A, zelfde uitgangspunten als hierboven.

Klant A heeft de hogere factor en het mooiere percentage. Klant B levert per uur meer op. En het werk voor je intercedent is bij beide ongeveer even groot: een plaatsing, een urenbriefje, een loonstrook.

Er zit nog iets in. Bij een hoger loon ligt je kostprijsfactor iets hoger, omdat het pensioen van StiPP over het loon boven de franchise van 9,24 euro gaat. Bij 25 euro is de kostprijsfactor ongeveer 1,72, bij 15 euro 1,68. Een lage factor op een hoog loon heeft dus minder ruimte. Maar elke tiende van de factor is er meer waard: 2,50 euro per uur bij 25 euro loon, 1,50 euro bij 15 euro.

Onze les uit de praktijk: vergelijk klanten nooit op factor alleen. Zet naast elke factor de marge per uur in euro's en het aantal uren per jaar. Dan zie je welke klant je bureau draagt.

Waarom de factor per fase en per vorm verschilt.

Fase A tegenover fase C

In fase A, de eerste 52 gewerkte weken, werk je vaak met een uitzendbeding: het contract eindigt als de inlener de opdracht stopt. Daar hoort de hoge WW-premie bij, 7,74 procent in 2026. In fase C heeft je uitzendkracht een contract voor onbepaalde tijd en betaal je de lage premie van 2,74 procent.

Op papier is fase C daardoor goedkoper. Bij 16 euro loon scheelt het ongeveer een euro per uur: 25,96 euro tegen 26,95 euro. Maar in fase C draag je risico's die niet op de loonstrook staan. Word je medewerker ziek, dan betaal je tot twee jaar door, minimaal 70 procent van het loon. En valt een opdracht weg, dan loopt het contract gewoon door.

In fase A ligt dat anders. Bij ziekte mag je het uitzendbeding niet inroepen, maar het contract loopt ook niet langer door dan afgesproken. Eindigt het terwijl je uitzendkracht nog ziek is, dan neemt UWV het over met een Ziektewet-uitkering. Die uitkeringen betaalt de sector wel terug, via de Whk-premie. UWV verwacht dat de premies voor WGA en Ziektewet in 2027 opnieuw stijgen.

Een goede factor voor fase C is dus niet vanzelf lager. Wie hem verlaagt omdat de WW-premie daalt, prijst het risico van ziekte en leegloop niet in.

Uitzenden, detachering en payroll

  • Uitzenden. Jij werft, selecteert en draagt het werkgeversrisico. De factor moet dat allemaal betalen, ook de plaatsingen die niets opleveren.
  • Detachering. Vaak hogere lonen en langere opdrachten. Zoals je hierboven zag, is elke tiende van de factor dan meer euro's waard. Werk je met vaste contracten, reken dan het risico van ziekte en uren zonder opdracht mee, net als in fase C.
  • Payroll. De klant brengt de medewerker zelf mee. Jij doet het werkgeverschap en de administratie, dus de marge bovenop de kostprijs is meestal kleiner. Wel volgt je kostprijs de klant: een payrollkracht heeft sinds 2020 recht op dezelfde arbeidsvoorwaarden als de eigen medewerkers van de opdrachtgever, en sinds 2021 op een adequaat pensioen. Doe je mee in de pensioenregeling van de klant, dan bepaalt die regeling een deel van je kostprijs.

Een factor vergelijken tussen deze vormen zegt dus weinig. Het gaat om de marge per uur, en om wat je daarvoor moet doen en dragen.

Wat de uitzend-cao van 2026 met je factor deed.

Op 1 januari 2026 ging de nieuwe CAO voor Uitzendkrachten van de ABU en de NBBU in. Die loopt tot en met 2028. Voor je kostprijs veranderden vooral deze dingen:

  • Gelijkwaardige beloning. De inlenersbeloning met vaste looncomponenten is vervangen. Het hele pakket van je uitzendkracht moet minstens evenveel waard zijn als dat van een vergelijkbare medewerker bij de inlener. Loon, werktijden, overwerk en vakantie neem je over. Hoe dat precies werkt, lees je in ons stuk over de nieuwe cao.
  • Vakantie volgt de inlener. Minimaal 8 procent vakantiegeld en 20 dagen, meer als de inlener meer geeft. Dat scheelt veel. Bij 16 euro loon kost een uur met 20 vakantiedagen 26,37 euro, met 30 dagen 27,55 euro.
  • Eén pensioenregeling bij StiPP. Tot en met 2025 begon een uitzendkracht in de Basisregeling, met een lagere premie. Sinds 2026 is er één regeling voor iedereen vanaf de eerste werkdag. De werkgever betaalt 15,9 procent over het loon boven 9,24 euro per uur.
  • Premies en minimumloon. De Whk-premie voor de uitzendsector steeg, en het minimumloon ging naar 14,71 euro op 1 januari en 14,99 euro op 1 juli.

Samen tilde dat de kostprijsfactor, vooral in de eerste weken van een plaatsing. Wie zijn tarieven op de cijfers van 2025 liet staan, kreeg dezelfde factor op zijn factuur en een lagere marge in zijn boeken.

Er is nog een effect dat minder opvalt. Omdat de beloning de inlener volgt, verschilt je kostprijs nu meer per klant. Eén standaardfactor voor alle inleners past daar slecht bij.

Zo verhoog of bescherm je je factor.

De meeste marge gaat niet verloren in een onderhandeling. Hij lekt weg tussen twee tariefgesprekken. Dit zijn de plekken waar je hem vasthoudt.

  • Laat het tarief met de factor meebewegen, niet met het loon. Stel: je rekent factor 2,0, dus 32 euro bij 16 euro loon. Verhoogt de inlener zijn cao-lonen met 5 procent, dan gaat je uitzendkracht van 16 naar 16,80 euro. Rekent je contract met loon maal factor, dan gaat je tarief naar 33,60 euro en houd je 5,22 euro per uur over. Staat erin dat alleen de loonsverhoging wordt doorberekend, dan factureer je 32,80 euro en houd je 4,42 euro over.
  • Spreek indexatie af per 1 januari. Premies, de bedragen van StiPP en het minimumloon worden elk jaar per 1 januari opnieuw vastgesteld, het minimumloon ook per 1 juli. Leg vast dat je tarief dan meebeweegt met je kostprijs. Zonder die zin moet je elk jaar opnieuw aan tafel.
  • Reken met de vakantie en de feestdagen van de inlener. Geeft een klant 30 vakantiedagen, dan hoort daar een ander tarief bij dan bij een klant met 20. Maak dat zichtbaar in je offerte.
  • Prijs fase A en fase C apart. Een uitzendkracht die doorgroeit naar een vast contract kost je iets anders. Spreek vooraf af wat er met het tarief gebeurt als hij van fase wisselt.
  • Houd je verzuim laag. Hoe groter je loonsom, hoe meer je Whk-premie afhangt van je eigen instroom in de Ziektewet en de WGA. Goed verzuimbeleid zie je dus een paar jaar later terug in je premie.
  • Kijk wat er via tussenpartijen loopt. Bij een MSP of broker gaat een deel van je tarief naar de tussenpartij, en heb je minder ruimte om zelf te onderhandelen. Lees wat MSP's en brokers met je marge doen.

Onderhandel je met een inlener, laat dan je opbouw zien. Een inkoper die ziet wat het pensioen, de premies en zijn eigen vakantieregeling kosten, gaat anders om met een verzoek om de factor te verlagen. Maak de opbouw in onze calculator en neem hem mee.

Wat een koper in je factor ziet.

Een koper vraagt zelden naar je gemiddelde factor. Hij vraagt naar je brutomarge per uur, per klant, over drie tot vijf jaar. Daar leest hij meer uit dan uit je jaarrekening.

  • De lijn door de jaren. Blijft je marge per uur gelijk of stijgt hij mee met de cao en de premies, dan kun je prijs maken. Zakt hij elk jaar een beetje, dan groeit je bureau op volume en betaal je de kostenstijgingen zelf.
  • De spreiding per klant. Twee of drie grote klanten met een dunne marge zijn een ander bedrijf dan twintig klanten met een gezonde marge. Een koper rekent uit wat er overblijft als die grote klant weggaat of zijn tarief onder druk zet.
  • De contracten. Staat de indexatie op papier, dan is je marge van volgend jaar een afspraak. Staat hij er niet, dan is het een hoop. Een koper vraagt de raamovereenkomsten op in het boekenonderzoek. Zo ziet dat onderzoek eruit.
  • Of de marge klopt. Een marge die opvallend hoog is, komt terug als vraag over de beloning. Klopt de gelijkwaardige beloning niet, dan rekent een koper het verschil van je prijs af.

Een euro marge per uur lijkt weinig. Bij 50 uitzendkrachten die elk zo'n 1.800 uur per jaar werken, is dat 90.000 euro per jaar, en dat komt vrijwel helemaal in je winst terecht. Een koper rekent met een veelvoud van die winst. Lees hoe de waarde van een uitzendbureau tot stand komt of doe de waardecheck.

Vragen over een goede omrekenfactor.

Er is geen officieel getal. In openbare rekenvoorbeelden van uitzenders zie je voor 2026 vaak een factor rond de 2. Een goede factor laat genoeg euro's per uur over boven je kostprijs. Bij een uurloon van 16 euro in fase A kost een gewerkt uur je ongeveer 26,95 euro, een kostprijsfactor van zo'n 1,7. Wil je dan 20 procent van je tarief overhouden, dan kom je op een factor van ongeveer 2,1.

Nee. De factor is een verhouding, je marge betaal je in euro's. Een factor van 2,1 op 15 euro loon laat ongeveer 6,34 euro per uur over. Een factor van 2,0 op 25 euro loon laat ongeveer 6,95 euro over. Vergelijk klanten daarom op marge per uur en op het aantal uren, niet op factor alleen.

In fase A met uitzendbeding betaal je de hoge WW-premie van 7,74 procent, in fase C met een contract voor onbepaalde tijd de lage van 2,74 procent. Bij 16 euro loon scheelt dat ongeveer een euro per uur. Maar in fase C betaal je bij ziekte tot twee jaar door en loopt het contract door als een opdracht wegvalt. Een lagere factor voor fase C is dus niet vanzelf verstandig.

Bij uitzenden betaal je met de factor ook het werven en het werkgeversrisico. Bij detachering gaat het vaak om hogere lonen en langere opdrachten, waardoor elke tiende van de factor meer euro's waard is. Bij payroll brengt de klant de medewerker zelf mee en is de marge meestal kleiner. Een payrollkracht heeft wel recht op minimaal dezelfde arbeidsvoorwaarden als de eigen medewerkers van de opdrachtgever, en op een adequaat pensioen.

De kostprijs steeg. Het pakket van de uitzendkracht moet nu gelijkwaardig zijn aan dat van de inlener, vakantiegeld en vakantiedagen volgen de inlener, en bij StiPP bouwt iedereen vanaf de eerste werkdag pensioen op in één regeling, met 15,9 procent werkgeversdeel. Wie zijn tarieven op de cijfers van 2025 liet staan, houdt per uur minder over.

Laat je tarief met de factor meebewegen als de inlener zijn lonen verhoogt, niet alleen met de loonsverhoging. Spreek indexatie af per 1 januari, als premies en de bedragen van StiPP veranderen. Reken met de vakantieregeling van elke inlener en prijs fase A en fase C apart. En laat in het gesprek met de inkoper je kostprijsopbouw zien.

Naar de brutomarge per uur, per klant, over drie tot vijf jaar. Stijgt die mee met de cao en de premies, dan kun je prijs maken. Daarnaast kijkt hij naar de spreiding over klanten en naar de raamovereenkomsten: staat de indexatie op papier, dan is de marge van volgend jaar een afspraak in plaats van een hoop.

Bronnen.

De rekenvoorbeelden volgen de uitgangspunten van onze tariefcalculator: fase A, een middelgrote of grote werkgever voor de Aof, een gemiddelde Whk-premie voor kleine werkgevers in de uitzendsector en 2 procent overige kosten. Je eigen kostprijs hangt af van je beschikking, de cao en de regeling van je inlener. Stand van de cijfers: september 2026.

Nuttig voor een collega-ondernemer? Deel op LinkedIn Stuur door per mail

Wat is jouw marge per uur waard?

Een koper kijkt naar je marge per uur, je klanten en je contracten. In een vertrouwelijk gesprek laten we zien hoe dat voor jouw bureau uitpakt, en waar je nu nog marge laat liggen. Het eerste gesprek is gratis en verplicht je tot niets.

Plan een vertrouwelijk gesprek Doe de waardecheck

Weet binnen twee minuten waar je staat

Doe de gratis waardecheck op ons platform: je vult veertien branche-variabelen in en ziet je bandbreedte, je multiple en de opbouw direct op het scherm. Je hebt geen e-mailadres nodig om je uitkomst te zien. Wil je het rapport bewaren of laten meekijken door een adviseur, dan kan dat.